Sprieten uit de Zeeuwse klei onder noppen van de wereldtop

WK-gras Een Deens-Nederlands bedrijf leverde het graszaad voor acht van de twaalf WK-stadions. Het perfecte zaadje maken kost jaren. Over de kunst van veredelen, zodedichtheid en stresstolerantie. „Het moet state of the art zijn.”

Door onze redacteur Steven Verseput

Hij is drie jaar oud en debuteert op het WK voetbal: Fabian. Hij is een van de jongste rassen in de familie van het Engels raaigras. Een topras, vinden de makers. Ontwikkeld door een Franse veredelaar, geteeld in de Zeeuwse klei. Peter de Bruijn (61) – bril, grijzend, je praat zo een kwartier met hem over een grassoort – vertelt het in zijn kantoor in Kapelle, onder Goes. Hij is algemeen directeur van de Nederlandse tak van het van oorsprong Deense bedrijf DLF. Ze zijn de grootste graszaadproducent ter wereld, met een marktaandeel van 25 procent.

Het bedrijf – 550 miljoen euro omzet, 1.100 medewerkers – leverde het zaad voor acht van de twaalf stadions en zo’n veertig trainingsvelden voor het WK in Rusland. 44 van de 64 duels worden op hun gras gespeeld, waaronder de finale in het Loezjnikistadion in Moskou.

Het is een opdracht van zo’n 100.000 euro, maar daar gaat het niet om, zegt De Bruijn. Dit is een „showcase”, om te laten zien wat ze kunnen op een wereldtoneel. In 2006 werd hij binnen het bedrijf naar voren geschoven om te zorgen dat ze op toernooien als deze kwamen te liggen.

„De grootste moeilijkheid is de speurtocht naar: wie heeft het hier voor het zeggen. Dat is bloed, zweet en tranen.” Het WK 2010 in Zuid-Afrika was hun eerste eindtoernooi, daarna volgden twee EK’s en het WK in Brazilië. Ze liggen ook in tientallen stadions van Europese competities. En ze voorzien Wimbledon nu zo’n tien jaar van graszaad.

Het WK voetbal is ver weg, hier op een doordeweekse dag in Kapelle. Het fabrieksterrein is uitgestorven, loodsen staan vol kisten en grote zakken graszaad. Eind juni komt de nieuwe oogst op gang, akkerbouwers lossen dan hier hun vers gedorste vrachten. Nu wordt het laatste restje van vorig seizoen verwerkt, met enorme drogings- en reinigingsinstallaties.

Voedergras
Lang was de grasmarkt redelijk rechttoe rechtaan: veredelaars richtten zich op graszaad voor de veeteelt – voedergras, in vaktaal. Robuust, grof gras, voor in de wei, op de akkers. Voorheen werd dat ook ingezaaid op sportvelden. Vanaf de jaren zeventig werd specifiek graszaad ontwikkeld voor de recreatieve sector en de consumentenmarkt, voor openbaar groen, voetbalvelden, de achtertuin. Doel: fraaie matten, met een hoge ‘dichtheid’.

„Waar we het in het verleden nog oké vonden als een voetbalveld een beetje hobbelig was, moet het nu state of the art zijn”, zegt De Bruijn. „Het moet dicht, vlak en snel zijn.” Het proces om tot dat soort gras te komen kostte tientallen jaren.

Ter illustratie: één nieuw ras maken, neemt bij DLF van het prille begin tot marktintroductie ongeveer vijftien jaar in beslag. Ze hebben 450 rassen – oude vallen af, nieuwe komen erbij. De productieketen, in het kort: eerst onderzoek en ontwikkeling, dan vermeerdering door veldproductie bij akkerbouwers met jaarlijks wereldwijd zo’n 170.000 ton graszaad dat wordt geoogst met combines, vervolgens fabrieksverwerking en ten slotte verkoop.

Door biotechnologische innovaties is het nu mogelijk genetica sneller en doelgerichter te veredelen, zegt De Bruijn. Ze weten precies op welke chromosomen bepaalde eigenschappen liggen. Door het veranderende klimaat wordt steeds meer gevraagd van de plantjes. In hun R&D-stations in de wereld is dat de laatste jaren een belangrijk thema: hoe maak je gras weerbaarder tegen weersextremen.

Dat maakte de aanloop naar dit WK grasgenetisch ook interessant, door de grote klimatologische verschillen in Rusland, met strenge winters, warme zomers. Hoe daarop in te spelen is een beetje als koken, zegt De Bruijn, de zoektocht naar de juiste mix aan grassoorten met ieder zijn specifieke kwaliteiten – „de receptuur”. Er worden op dit WK combinaties gemaakt tot wel acht rassen.

De voorbereiding begon drie, vier jaar terug. Het contact met de lokale organisatiecomités in de speelsteden verliep voornamelijk via het DLF-kantoor in Moskou, waar het bedrijf zich na de val van de Muur vestigde. Alle drie de aanlegmethoden zijn toegepast voor dit WK: of volledig nieuw ingezaaid, of doorzaai in een bestaande mat, of inleggen van zoden. Per veld is zo’n 500 tot 600 kilo graszaad nodig.

Een van de veelgebruikte rassen voor het WK is Fabian, de nieuwkomer. Het is een zogeheten tetraploïde ras, wat betekent dat er vier sets chromosomen aanwezig zijn in de celkern, mogelijk gemaakt door genoommutaties.

Bij testen van DLF scoort Fabian hoog op ‘stresstolerantie’: hij is minder gevoelig voor ziekten, droogte en zout. Ook qua ‘betredingstolerantie’ doet hij het goed: hoe het gras weerstand biedt als er op wordt gelopen. In een proefopstelling is hier op getest met noppen van voetbalschoenen op grote rollen.

Fabian is gemaakt in Frankrijk en later getest op de proefvelden in het Brabantse Moerstraten. Hij wordt geteeld op de Zeeuwse eilanden en verwerkt in de fabriek in Kapelle. Door de nauwkeurige landbouw in Nederland zijn akkerbouwers hier doorgaans in staat schone, zuivere partijen af te leveren met hoge kilo-opbrengst. Daarom is voor dit ras – gezien de hoge kwaliteit – gekozen voor Zeeland.

Fabian – het verzinnen van namen valt onder het creatieve proces van de rassenregistratieafdeling bij DLF – is een nakomeling van het populaire Engels raaigras. Kenmerken van dit soort: hij vestigt zich snel en kent een hoge zodedichtheid. Maar hij is niet ‘hard’ wintervast. In Russische steden waar de winters streng zijn, werd daarom ook Veldbeemdgras ingebracht, die goed bestand is tegen kou.

Dat gebeurde onder meer in Kazan, ruim 800 kilometer ten oosten van Moskou. Daar werd het stadion in januari ingezaaid, met een mengsel van onder meer die twee soorten. De buitentemperatuur was soms min 25, maar door veldverwarming en een vliesdoek dat over het veld werd gespannen was de bodemtemperatuur vijf tot tien graden boven nul. De Bruijn: „Zo kon het kiemen. Toen de vorst voorbij was kwamen de grasplantjes op. Dan heb je een vliegende start.”

Een grasmat op dit niveau is een samenspel tussen experts, fieldmanagers, specialistische bedrijven. De Nederlandse inbreng is groot. Redexim uit Zeist, producent van machines voor sportvelden, leverde doorzaaimachines, zandstrooimachines en de apparatuur voor het bekalken van de lijnen. En zeer belangrijk, zegt verkoopmanager Hessel Rozema, die de onderhandelingen met de Russen deed: beluchtingsmachines.

Deze hebben dunne stalen pennetjes die de grond in gaan en dan een minimale wikbeweging maken, het zogeheten verti-drainen. Hierdoor wordt het veld egaal en elastisch, krijgt overal dezelfde hardheid, en het gras herstelt zich snel na intensieve bespeling, vertelt hij. In totaal hebben ze meer dan honderd machines geleverd. Er zijn 114 WK-velden, inclusief trainingsvelden.

Rozenkweker
Stadium Grow Lighting uit Waddinxveen is er ook bij. Zij hebben een ‘veldmanagementsysteem’ dat gericht is op controle en optimalisering van alle groeifactoren, zoals licht, temperatuur, water, lucht, voeding. Ze werken met mobiele belichtingsunits, afgeleid uit de tuinbouw. Voor lichtarme stadions – zoals ook in Rusland – is dat een uitkomst.

Eigenaar Nico van Vuuren, van origine een rozenkweker, zette het concept in 2002 op en brak in de jaren daarna door. Van de Kuip tot San Siro, ze zijn overal. Hij spreekt van „een ware revolutie”. Op het WK levert het bedrijf aan vijf stadions, een klus van een kleine vier miljoen euro. In de andere stadions ligt een systeem van een Russisch bedrijf, Van Vuuren vertelt dat de Russen dit van hem hebben gekopieerd. „Dat hoort nu eenmaal bij ondernemen.”

Tien van de twaalf stadions in Rusland hebben een hybride veld, een combinatie van kunstvezel en natuurgras. Dat vertelt Marc Vercammen, directeur hybride bij het Franse concern Tarkett Sports, dat het Nederlandse Desso Sports heeft overgenomen. Zij liggen in drie stadions, een opdracht van zo’n 1 miljoen euro.

De vezels zijn met een soort rijdende naaimachine achttien centimeter diep in de bodem gedrukt, om de twee centimeter – wat neerkomt op ongeveer 20 miljoen vezels per veld. Na het innaaien wordt het gras er tussen gezaaid. Voordeel: het veld is stabiel, vlak en de wortels van het natuurgras kunnen zich om de kunstvezel hechten.

Vanaf maart zijn de velden in conditie gebracht voor het WK. Het ligt nu niet meer in hun handen, vertelt De Bruijn. Een maand voor de start van het evenement gingen de stadions uit veiligheidsoverwegingen op slot voor buitenstaanders. Het is nu aan de lokale mensen.

Het kan in de laatste weken nog misgaan. Dat maakte hij bij het WK in Brazilië mee. In het noordelijke Manaus werd door de lokale organisatie pas zeven dagen voor het toernooi het veld doorgezaaid. „Veel te laat.” De tropische grassoort die er in lag – Bermudagras – wordt in de Braziliaanse winter (als het hier zomer is) bruin. „Die vindt 23 graden koud, dan begint hij rustig aan te doen.”

Het gevolg van het te laat doorzaaien (van een gematigd Europees soort) was dat het veld er niet uit zag. De organisatie besloot kort voor een wedstrijd het veld groen te spuiten. De Bruijn zat thuis voor de tv en zag het gebeuren. „Soms glipt er iets door je vingers heen.”

Vrijdag kreeg hij een update van zijn contactpersoon in Moskou. „De velden liggen er in zeer goede conditie bij.”

DLF leverde graszaad voor acht stadions, in deze steden: Moskou (twee stadions), Sint- Petersburg, Sotsji, Jekaterinenburg, Kazan, Rostov en Saransk.
Ook het Nederlandse Barenbrug heeft graszaad geleverd, voor zes stadions en ruim tien trainingsvelden. Er is overlap met de stadions mogelijk waar ook DLF is vertegenwoordigd, doordat stadions in eerdere jaren met graszaad van soms andere producenten zijn ingezaaid.
Barenbrug is al ruim twintig jaar actief in de topsportsector. Voor het WK van 2006 in Duitsland leverden ze het graszaad voor alle stadions. Bij het WK 2014 leverden ze het zaad voor het trainingsveld van Oranje.


 

Onlangs verschenen artikelen
Agenda
Tweets